Terug

R. Herberigs

Scheef is de poorte, van

oudheid, geweken;

zaâlrugde 't dak van

de schure; overal

stroo op de zwepingen

zit er gesteken;

vodden beveursten het

huis en den stal.

Boven die vodden zijn

blommen gesprongen;

onder die vodden zit

volk en gezin:

blommen van vrede, zoo

ouden, zoo jongen,

blommen van buiten en

blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat;

daar is 't, dat vader

vond die hem arbeid en

herte bracht; daar

knielden wij, kinderen,

handen te gader,

baden wij, kleenen en

grooten, te gaâr.

Daar is de schippe nog,

daar is de tange;

't ovenbuur staat daar, zoo

't vroeger daar stond;

't hondekot staat daar, en...

- 't is al zoo lange! -

Hoe is de naam van dien

anderen hond?

Ach, hoe verheugen mij,

ach, hoe verheffen

de oudere dagen mijn

diepste gemoed!

Is er wel iemand, die 't

ooit kon beseffen

wat gij, oud hof, mij nu

zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al

te arglooze menschen,

weinig begeerdet gij,

groot was uw hert!

- Kon het maar helpen, met

weenen en wenschen,

weêr ate ik roggenbrood,

naast u, aan 't berd!