Uw Licht is 't eeuwig Leven

R. Herberigs

Als gij het zegt ik zal 't gelooven,

o God, die niemand falen laat

noch zult berooven

van licht een' armen knecht die U te wachten staat

in 't diepe van dees donkere boschwaranden,

die 'k, tastend met mijn' handen,

te ontvluchten zoeke, o God! Ik roepe, buiten raad,

naar U, die alles weet, die wijsheid zijt en waarheid,

naar U, die alles kunt: om leven, licht en klaarheid.

Het licht verschijnt, de banden breken,

de zonne rijst, ze is opgestaan,

en de oosterstreken,

herschitterende onbelet, zie 'k blij weêr opengaan;

de duisternis verdwijnt, en allenthenen

is 't aarderijk omschenen

van prachten door geen kunst gekend of nagedaan;

het aldoordringend licht komt lekend langs de blâren,

tot in het diepste woud, mij zoekend, afgevaren.

o Ziele, uw licht is 't eeuwig Leven,

is 't eeuwig Licht, dat nooit en faalt;

van God gegeven,

God zelve is 't, edele ziel, die dóór en dóór U straalt:

vergeefs gepoogd aan blende en doove lampen

u ergens vast te klampen;

vergeefs om falend licht uw dierbaar zelf betaald:

God licht u, edele ziele, en, onbevreesd te dwalen,

in 't eeuwig Licht, zoo zult ge onfaalbaar zegepralen!