Wat menschenschoonheid geven kan

R. Herberigs

Wat menschenschoonheid geven kan,

al, al, dat zij kan geven,

aanschouwt het in de venster van

den lichtbeeldman, hierneven.

Heer menschenkramer, hoe en laat

gij zoo veel erge stalen

van 't dwaze menschdom niet op straat,

in vreê, hun' luchtjes halen?

'k Goendag ze dan, en 'k ga voorbij,

niet zoekende om te weten

of groote of geen' hun' schoonheid zij:

'k goendag ze, en 't is vergeten.

Maar daar, in uwen winkel, daar

zij, stelende aller oogen,

hun zondagbeste huid en haar

elk, onbermhertig, toogen;

met 't mondtjen in de beste plooi

gevat, en pal geklonken,

daar staan ze, net als hondtjes mooi,

en onder glas, te pronken!

Hoe leelijk is 't, hoe onbeschaamd!

'k zou liever hangen moeten

als daar mijn' schoon-... of, hoe genaamd?

mijn' gekheid uit staan boeten.