Dank zij de Heer
R. Mestdagh
Dat de goedheid Gods geweten
zij alomme, en nooit vergeten;
en dat, nu en immermeer,
dank zij den Heer!
'Dank!' het is zoo schoone een spreken,
'k voel mijn hert van liefde breken,
als ik zegge en zuchte, teer:
dank zij den Heer!
Hebbe ik ooit onvriendlijkheden,
scherpe en zonder schuld, geleden,
't woord verdoofde 't lijden zeer:
dank zij den Heer!
Wilt elkeen zijn kwaad uitboeten
en, getroost, dit leven zoeten,
dat hij 't wel van buiten leer':
dank zij den Heer!
Blijft men hier u liefde ontgeven,
zet uwe ooge op 't ander leven:
nooit gewanhoopt, zegt veel eer:
dank zij den Heer!
Dat de goedheid Gods geprezen
zij, zoo nu zoo ooit nadezen,
en zegge ieder immermeer:
dank zij den Heer!