De grote zon

R. Schroyens

De groote zon, de zomer is

ten oosten uitgeklommen,

bezoekende zijn koninkrijk...

de koning is gekommen!

De volkeren, de grooten en

de kleenen, alle lieden

hem koninklijk begroeten gaan

en blijden inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu

ten arbeide, en de vrouwen,

ze slaan wel nog zoo dapper, met

de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als

of ze al nog kleene waren,

gaan loopen in de lanen, in

de locht, en spelevaren.

Het kindtje, dat geen tonge en heeft,

nu zingen kan; en 't aaien

van moeders hand- en mondgebaar

vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,

de kruiden en de blommen...

de zomer is, de groote zon,

de koning is gekommen!