De zonne rijst

R. Veremans

De zonne rijst,

't gaan balken lichts

dwers door den choor; ze malen

op wand en vloer

Gods heiligen, in

roô, blauwe en peersche stralen.

Hoe heerlijk is

de kerke nu,

en weerd het huis te wezen

van Hem, die als

de bronne wordt

van liefde en licht geprezen!

Van Hem die zon

en mane miek,

die kruid en loof liet groeien;

van Hem, dien wij,

vol schoonheid, in

elk blommeken zien bloeien.

Verrukkend is 't,

den wierookwalm,

in 't morgenvier der vensteren,

te volgen, op

zijn' hemelbaan,

doorlaaid van duizend gensteren!

Daar huivert, on-

weerstaanbaar, iets

in 's menschen merg en midden,

dat hemelwaards

de ziele haalt,

dat knielen doet en bidden!