Gestaag bekruipt de nacht het land

Robert Franz

Gestaag bekruipt de nacht het land,

glijdt langzaam over 't heuvelland.

Haar ogen zien de gouden waage staan,

die tijd verdeelt, en maar laat gaan

en driftig ruisen de bronnen maar door,

zij zingen de vrouwe, de nacht, in 't oor

van uren,

van tijden, de dag van vandaag.

Dit oude, oude doezellied,

ze kent 't wel, maar luistert niet:

zij hoort het blauwsel van de hemelboog,

dat met haar als vluchtige tijd vervloog.

Maar altijd weer stromen de bronnen maar door

en zingen de beken al slapend in koor

van uren,

van tijden, de dag van vandaag.