Het lied des storms

S. Dresden

Door 't woud der pijnen kreunt en zucht de wind,

En machtig wuiven de gepluimde toppen,

En strooien rond de zware schilfer-knoppen,

Die stuiven over 't knerpend naalden-grint:

En uit het hemel-groen dier ruige koppen,

Die schudden: ja, en neen, van woede ontzind....

Daalt daar een lied op 't bevend menschenkind,

Dat van een grootsch ontzag de borst voelt kloppen:

'De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,

Bezitten saêm éen waarheid, die hen bindt:

Hùn is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden;

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,

Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,

En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.'