Herfststemming

S. Milligen

Langzaam, in vale stralen,

weg kwijnt de zonneschijn...

Dieper in 't harte dalen

voel ik mijn oude pijn...

Klokken, heel ver in het Westen,

bengelen - o, zoo traag.

Vogelkens, op hunne nesten,

tjilpen in boom en haag.

Zwanen, witdonzige zwanen,

steevnen, een levende vloot,

hoog langs de azuren banen

weg - vóor den winternood.

Eendjes, die badend kwaken

op de drassige beek in de wei,

schudden hun vlerken en slaken

een lang en snerpend geschrei!

Och! Konden ze u volgen, gij zwanen,

zich voegen bij u op uw vlucht,

naar des Zuidens lomrige lanen

in een zuiverder, sterkender lucht...!

Ach! Had mijn verlangen vleuglen,

gij zwanen, die zweeft boven 't slijk,

geen macht zou mijn ziele beteuglen:

zij steeg naar hooger rijk!

Cette âme qui se lamente

En cette plainte dormante,

C'est la nôtre, n'est-ce pas?

Paul Verlaine.