Scoonslaepsterken

S. Milligen

Herinnert ge u Scoonslaepsterken,

Scoonslaepsterken in het woud?

Eilaas! ook ik sliep honderd jaar;

Dat maakt mij nu reeds zoo oud.

Ik ben van 't eeuwig slapen moe

En slaap toch immervoort.

Waar blijft mijn schoone prins zoo lang?

- Nog ruischt geen tooverwoord.

Nog klinkt geen stap, nog voel ik niet

Uw adem op mijn wang.

Ach! toef niet langer, wek mij nu!

Ik slaap... ik droom zoo bang.

Soms word ik wakker in den nacht;

Dan schouw ik om mij heen,

Ik strek mijn handen uit naar u

En vind u niet - en ween.

Verlos het arme koningskind!

't Is hier zoo droef, zoo koud!

Eens wekt geen kus meer uit haar slaap

Scoonslaepsterken in het woud.