Vogelijn
S. Milligen
Daar zong in 't malsche lentegroen
Een lustig vogelijn
Het zong van 't lieve meisaisoen
En gouden zonneschijn
O zeg, gevleugeld zangerlijn
Waar moogt gij wel gebleven zijn?
Daar zong in 't frissche maagdenhart
Een lustig vogelijn
Van bittre vreugde en zoete smart
Van liefde heil en pijn.
O zeg, gevleugeld zangerlijn
waar moogt ge wel gebleven zijn?
November kwam, de lucht was grijs
De blaadren vielen neer
De noordwind blies zoo koud als ijs.
De vogel zong niet meer
Nu ligt hij met bevroren veer:
Waar zijn de lied'ren van weleer?