Ach, mijn Bietje, gij zingt zoo schoone
T. Dejoncker
Ach, mijn bietje, gij zingt zoo schoone,
en uw oogsken, het blinkt zoo blij;
ach, mijn bietje, gij lonkt zoo schoone,
en uw oogske, 't staat recht op mij;
ach, mijn liefke, gij danst zoo schoone,
krinkelende, winkelende, wentelende, op!
zeide er een knaapken, en 't keek naar de schoone
krinkelende wentelingen van... zijnen top!