Wintermuggen

T. Dejoncker

De wintermuggen zijn

aan 't dansen, ommentomme,

zoo wit als muldersmeel,

zoo wit als molkenblomme.

Ze varen hooge, in 't vloe;

ze dalen diepe, in de ebbe;

ze weven, heen en weêr,

hun' witte winterwebbe.

Hun' winterwebbe zal,

dat lijnwaad zonder vlekken,

den zuiverlijken schoot

van moeder Aarde dekken.

Ze ligt in heuren slaap,

ze droomt den schuldeloozen,

den maagdelijken droom

van nieuwe lenteroozen.

Ze ligt in heuren slaap,

ze droomt den wonderbaren,

den liefelijken droom

van 's zomers harpenaren.

Ze ligt in heuren droom,

ze droomt van overvloed en

van voorspoed overal,

om vee en volk en voeden.

'n Wekt ze niet, 'n laat

heur geen geruchte dwingen,

om, al te schier ontwekt,

uit heuren slaap te springen!

Daar ligt ze nu en rust:

heur zwijgend beddelaken,

de wintermuggen spree'n 't,

die geen geruchte en maken.

Ze draaien op en af

en af en op en omme,

zoo wit als melk, als meel,

als molke en runselblomme.