Hoe riekt gij, Bamisbosschen, goed

V. Nees

Hoe riekt gij, Bamisbosschen, goed,

als 't weder vei en vocht is;

en 't zunneken daar zit en broedt,

in 't vlies, dat op de locht is!

De doode blâren dekken al

den nesschen grond; de paden

en zijn, beneên den looverval,

maar nauwlijks meer te raden.

Het doomt alom, verrukkend mij

den zin, vol wondere reuken:

van blommen niet nu, blank en blij;

de wind hielp ze al verkreuken.

Maar reuken zijn 't van blad en boom,

van boomschorse en van wortelen;

van najaarsveite en najaarsdroom,

die uit der aarden bortelen.

't Is 't leven dat den bosch verlaat;

en, met zijn' trage vlerke

vol wierooks, naar den hemel gaat

en stijgt, als in een' kerke.

Hoe sterkend! Hoe verschillend van

de geile, onversche vochten,

die al dat immer stinken kan,

wers stinkende, overlochten!

Zoo aêmt het uit elk een voortaan,

uit alles, uitgenomen

den bosch, al waarder boomen staan

en zelden menschen komen.

Hoe riekt gij, groote boomen goed,

en kleene; en tusschen beiden,

uw' blaren, die met zalven zoet,

's jaars sterfbedde overspreiden!

't Verheugt mij in uw midden! Mocht

mij nooit een' reuke naderen

als die daar stijgt, als levenslocht,

uit uw' gestorven bladeren!

o Bamisbosch, zij God van al

geloofd, die u betrekken;

en, zoekende in den bladerval,

daar zielentroost ontdekken!