Zoo gij wilt, voer ik u mede
W. de Haan
Zoo gij wilt, voer ik u mede,
langs de blauwe schoone zee.
't Bootken wacht u op de reede,
en daarboven toet de meeuw.
Helder zullen al de baren
hupplen om ons lichte kaan,
en bij ' t vroolijk wiegend varen
zal de wind den wimpel slaan!
Langs de klippen zal ik halen
zilvren schelpen tusschen ' t zand,
en de roode bloedkoralen
wil ik brengen in uw hand.
Op de rotsen zal ik klimmen,
waar de wilde rozen staan,
rooven, waar de kolken grimmen,
de eiers van den pelikaan.
't Weet het wel! Ik heb geen hallen,
waar, bij rooden fakkelschijn,
rustloos lofgezangen schallen
rond mijn troon, ter eere mijn.
'k Weet het wel. Om mijne leden
golft geen purpren vorstenpracht;
maar ik heb mijn min, mijne eeden
en mijn roode skaldendracht!
Kom! En heb ik goud noch kronen,
steen noch burchte, grootsch en wijd,
'k heb een hart waar liedren wonen,
en dat hart is u gewijd. --
Bieden op mijn' wenk geen slaven
u de zoete malvezij,
' k zal u met mijn kussen laven,
en, wat wijn is zoet als zij?
Kom! En is mijn eenige zale
't ranke bootje, dat u wacht,
't is genoeg om op te dwalen
eeuwig samen, dag en nacht;
't is genoeg om op te zwerven
saam naar de onbekende vert';
't is genoeg om op te sterven,
mond op mond en hert op hert!
Luister! 't Water trilt van wonne
en de baarslag ruischt zoo zoet!
en in ' t stralen van de zonne
rilt de zee van minnegloed!
Kom! de Poolstar zal ons leiden,
langs de klippen, door den nacht,
en mijn herte zal verblijden,
als uw oog mij tegenlacht.