Komen en gaan

W. Hutschenruyter

Daar is een tijd van komen,

Daar is een tijd van gaan:

Dan hebt gy meer vernomen,

Maar hebt gy 't ook verstaan?

O wie het mag doorgronden,

Dat spreekwoord zoo vol zin,

Die kent der Liefde wonden,

De weelden van de min.

Dien mochten oogenblikken

Soms uren wreeder pijn,

En uren van verkwikken

Soms als sekonden zijn.

Die heeft met bevend schroomen

Vaak in zijn luistrend hart

Een lieven tred vernomen,

Vernomen uit de vert';

Maar liet ook vele reizen

Zijn ziele by zijn schat,

En ging die spreuk bepeizen

Stil op zijn eenzaam pad.

Die heeft in 't zoete leven,

Vol leed en lieflykheid,

In jonkheids rijke dreven

Genoten en -- geschreid;

En in zijn stiller harte

Zich reeds een schat vergaerd

Van weemoed, liefde, smarte,

Dien hy getrouw bewaart.

Die weet, wy armen boeten,

Wy boeten wreed en snel,

Vast menig lief ontmoeten

Met menig lang vaarwel.

Die ziet ook, in zijn droomen,

Langs schemerende paên,

Soms vrienden wederkomen,

Die ver zijn wechgegaan.

Die treurt om Lenteweelden,

Maar jaagt niet meer vooruit,

Als toen zijn vingren speelden

In 't hair de blonde bruid.

Die denkt, sinds enkle jaren,

By 't komen van het groen,

Aan 't valen van de blaêren

In 't stemmende saizoen.

En in de najaarsvlagen,

In 't dwarlen van de blaên,

Hoort hy een stemme klagen

Van komen en van gaan.

Die blikt soms lange, lange

Terug in zijn weleer,

En 't wordt hem bange, bange

En 't leven buigt hem neêr.

Hy peinst: nog pas gekomen,

Pas gistren en zoo veer

Reeds op de snelle stroomen

Van 't wondre, diepe meir?

Hy voelt zijn moeders kussen

Nog gloeien op zijn wang,

En hoort al ondertusschen

Een dierbren wiegezang.

Hy ziet zich zelven stoeien

Met knapen op het duin,

En reeds -- zijn kindren groeien

En bloeien in zijn tuin...

En midden in de zegen,

De trooste van zijn God,

Stroomt hem de weemoed tegen

Van 't wisslend menschenlot.

18. Daar is een tijd van komen,

Daar is een tijd van gaan:

Dat hebt gij meer vernomen,

Maar hebt gij 't ook verstaan?

O, wie het mag verklaren

Dat spreekwoord, zoo vol smart,

Die leefde luttel jaren,

Maar leefde met zijn hart,

Die voelt van al dat komen,

Dat komen en dat gaan

Van menschen, dingen, droomen,

Zich moe en onvoldaan;

En zoekt met sterk verlangen

Naar Een, die komt en – blijft,

Wien hij aan 't hart kan hangen,

Waar alles benen drijft.

Die weet een klok van scheiden

Luidt rustloos door het dal,

En leerde zich bereiden,

Bereiden voor 't geval;

En haakt met alle vromen

Naar 't oord, waar vroeg of laat

Weer allen samenkomen

En niemand henengaat.