Het eikenwoud bruist, de wolken gaan

Willem Frans Thooft

Het eikenwoud bruist, de wolken gaan,

Het meisje zit aan de waterbaan.

De golven, zij breken met kracht, met kracht,

En zij klaagt haar wee in de duistere nacht,

Stil schreiend om 't leed dat haar griefde.

“Mijn hart is gestorven, mijn wereld is leeg,

En niets meer brengt in mij lust nog teweeg.

Gij Heilige, roep maar uw kind terug,

Ik heb nu geproefd wel het aardse geluk,

Het leven geleefd en de liefde.”

De tranen stromen, vergeefs is hun loop,

Het klagen, het wekt toch de doden niet op;

Doch zeg mij, wat troost en geneest jouw ziel

Die zo schreit om de liefde die haar ontviel,

Mij, de hemelse, mag je dat vragen.

“Laat stromen de tranen, vergeefs is hun loop,

Je wekt toch met klagen de dode niet op!

Het zoetste geluk voor de treurende ziel

Die zo schreit om de liefde die haar ontviel,

Zijn het liefdesverdriet en het klagen.”