Serenum erit

Y. Bondue

Matth. XVI, 2.

Al rood is 't, dat ik zie:

één ovenvier heel 't westen,

daarin de zonne zonk

en 's werelds oude vesten

in gloeien zette. Laai

noch glans en is er: niet

als enkel rood en, deur

de losse wolken, iet

dat eer aan bloed gelijkt,

of aan onmeetbaarheden

van omgehouwen stier-

en huidlooze ossenleden,

die, drijvende overal,

met vil- en slachthuisvee,

de diepten vullen van

de westerwereldzee.

De zwarte hagen staan

vol oogen, als van dieren

en ongedaanten, die

hun roode blikken stieren

te mijwaard, daar ik sta,

van hoofde tot den voet;

bespeit, ik zelve, en diepe

in 't schijnbaar zonnenbloed.

Hoe zal 't te morgen gaan:

zal 't regenen, zal 't ruischen;

gebouwen af- en al

dat boom is ommebuischen?

Zal 't hagelslaan? In al

dat hemelsch bloedgeweld,

is ons de jongste dag

des werelds vóórgespeld?

Toch neen-hij! Morgen zal,

ten oosten uitgeklommen,

een nieuwe dageraad,

een nieuwe zonne kommen

de menschen, blank en blij,

begroeten, die nu staan

en, rood van aangezicht,

den avond gadeslaan.