Herdenking

A. Fagel

Wij schuilden onder dropplend loover,

Gedoken aan den plas;

De zwaluw glipte 't weivlak over,

En speelde om 't zilvren gras;

Een koeltjen blies, met geur belaan,

Het leven door de wilgenblaan.

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;

Geen vogel zwierf meer om;

De daauw trok langs de heuveltoppen,

Waar achter 't westen glom;

Daar zong de Mei zijn avendlied!

Wij hoorden 't, en spraken niet.

Ik zag haar aan, en diep bewogen,

Smolt ziel met ziel in een.

O tooverblik dier minlijke oogen,

Wier flonkring op mij scheen!

O zoet gelispel van dien mond,

Wiens adem de eerste kust verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenloover;

De scheemring was voorbij;

Het duister toog de velden over;

En dralend rezen wij.

Leef lang in blij herdenken voor,

Gewijde stond! geheiligd oord!