Ik zag de schemerlijven...

A. Voormolen

Ik zag de schemerlijven

Van zwanen op het huiverspel

Van sombren spiegel drijven -

Ik wist, ik stond voor Tintagel...

Een vreemde wil dreef mij gevangen,

En hief mij over 't steile diep.

Ik gleed door poort en gangen

Waar alle klank en echo sliep.

Ik trad mijn hooge kamers binnen,

Eén starre leêgheid wakensmoê.

Een bleeke vrouw in armlijk linnen

Zag uit het kwijnend zilver toe.

Ik talmde als een die komt te nemen

En niet weet wat hij nemen moet:

Gewaden, ringen, diademen,

Het leek mij onbegeerlijk goed.

Ik bleef in doelvergeten poozen

Gesteund aan 't schemerbleek kozijn...

Een flauwe geur van welke rozen

Leefde op den matten maneschijn.

Mijn handen beefden te vergâren

Al wat daar nog van mij verbleef,

Den geur der doode jonge jaren,

Die op den dooven luister dreef.