Golgotha
B. Tideman-Wijers
En in den nacht een klacht scheen zacht te ontbloeien
Toen Jezus sprak „mijn God, uw woord ik wacht"
„Ik voel het hemellicht, al in mij gloeien“
„Geloof in U, mijn folt'rend leed verzacht“.
Dan luisterde hij naar het winden-loeien
Als hoorde hij een stem, heel lang verwacht,
Uit zijne wonden, traag 't laatst bloed ging vloeien,
Verstierf de mensch-God, fluisf rend,,'t Is volbracht“.
En waar de maan een scheem'rend schijnsel spreidde
Over den Golgotha en 't houten kruis,
Twee vrouwen, smarflijk handenwringend schreiden,
Opziend ontzet naar 't lijk, zoo stil na 't lijden:
Zij riepen aan, zij kreten, klaagden, vleiden....
En met hen, weende 't wilde wind-geruisch.