Heidelied
B. Zweers
O de wijde blijde heide,
die zoo weidsch haar rijken mantel
over vlakte en heuvlen spreidt,
Waar de grijze wolken zeilen,
waar de vrije vogels drijven,
stijgen in de oneindigheid!
O de reine wind der heide,
pijnaromen van de boomen
brengend die in ' t mastwoud staan!
O de stille blonde middag!
o de gouden zonneglorie!
o de zilvergloed der maan!
't Heilig hart der maagdlijke aarde,
nog tot bouwland niet vernederd,
niet ontwijd door menschenwerk,
Klopt mijn hoofd dat zoekt naar koelte,
klopt mijn hart dat vraagt om vrede,
troostrijk tegen, kalm en sterk.
Ongerepte Jonkvrouw!
Heilge Moeder van de levensmoeden!
neem uw kwijnend kind op schoot!
Zinge uw wind een wiegewijze!
toovere op mijn bleeke wangen
nieuwen blos uw avondrood!
Rustende aan uw breeden boezem,
droomloos slapend, zal ik drinken
Heide's heildronk onbewust.
Rein, veerkrachtig zal ' k verrijzen
uit de omarming en u prijzen,
om den moed mij ingekust.