Zomerlied

C. Andriessen

Op tengere stengelen bengelt

De haver al heen ende weer

En 't zilverig zwellende koren

Wuift wiegelend op ende neer.

O kom, waar roosbloemige klaver

Het bieken tot azen verleidt,

Waar, klapwiekend, zich met de klaproos

De goudenen vlinder vermeit!

Kom dolen door vroolijke velden

En plukken de bloemekens fijn,

En drinken de schoonheid der zonne,

Als gouden, etherische wijn!

Kom zwerven door zeëen van koren!

Zij zandig en zonnig het pad

Ginds lokt ons de blauwgroene woudzoom;

In nevelen ligt reeds de stad.

Wij poozen op grazige heuvels,

Waar het krekeltje zingt, en wij zien

De torens in 't blauw zich verheffen,

De sneeuwwitte wolken vliên.

Straks zinkt in de mollige zode

De klanklooze voetstap weg.

Buig dan naar mijn lippen en luister

Naar wat ik u fluisterend zeg!