Ik droom alreê van u, mijn kind

C. Van Rennes

Ik droome alreê van u, mijn kind,

en van de blijde dagen, de dagen,

dat samen wij, en welgezind,

vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,

ons lief en leed gaan dragen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,

noch late ik mij gelegen, gelegen

aan al dat aardsch en bitter smaakt,

dat 't lijf en 't lijf alleene raakt,

en daar de geest kan tegen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,

ge hebt hem doorgestreden, gestreden

de nacht dien 's vijands booze hand

gespreid had om 't beloofde land:

gij zijt erin getreden.

Ik droome alreê van u, mijn kind,

en, ga ik langs de straten, de straten

daar heemlijk in mijn herte weunt

't gedacht, daar al mijn hope op steunt:

God zal u mij toch laten.