Beêvaertlied

E. Tinel

Maria, milde en machtig,

vereerd bij God en mensch,

weest, Moeder, mij indachtig

die mij te beteren wensch.

Ik heb mijn schoone dagen

verroekloosd en verdaan;

en kom, o Moeder, klagen

bij U voortaan.

Verleed was en verloren

mijn voetstap en mijn hert,

langs ongebaande sporen,

vol boosheid en vol smert;

bij nachten en bij dagen

verzucht ik langs de baan;

en kom, o Moeder, klagen

bij U, voortaan.

Maria, mag 't geschieden

alsdat gij, milde en goed,

mij wilt genade bieden,

eer dat ik sterven moet?

Eilaas, ik dierf het wagen

de wereld na te gaan,

en kom, o Moeder, klagen

bij U, voortaan.

Wat galle en bittere teugen,

wat uitgedorschen kaf

de wereld mij, vol leugen

voor vroomte en vreugden gaf!

Heur listen en heur lagen

en heb ik niet ontgaan,

en kom, o Moeder, klagen

bij U, voortaan.

Gij hebt de booze streken

en 't dwingelands gespuis

der hellen helpen breken

en pletteren, onder 't kruis.

'k Ben in den band geslagen,

maar zoeke om vrij te gaan,

en kom, o Moeder, klagen

bij U, voortaan.

Maria, milde en machtig,

ik bid U, en weêrziet,

uw schoonen name indachtig,

mij, armen zondaar, niet;

de straffen wil ik dragen

van 't gene ik heb misdaan,

en kom, o Moeder, klagen

bij U, voortaan.

Boetveerdig leert mij wezen,

zoo nu zoo elken dag,

totdat ik, eens verrezen,

niet verder sterven mag;

dan houd ik op van klagen

en mij de borst te slaan,

om kroon en krans te dragen

bij U, voortaan.