Arapka

F. de Kanter

Jij harige hond van me,

Borsteltje, moortje,

Toe, vouw je pootjes samen,

En spits je oortjes.

Blijf, Arapka!

Zeg mij maar na.

Lieve Heer,

Die zich over mensen en dieren ontfermt,

Die ons allen beschermt,

Die van iedereen houdt,

Toon genade aan mij, ik ben stout

Want ik jat, en ik vecht...

Heer, het spijt me oprecht!

Pas nog gapte ik zes lappen spek

(Kon ik daar wat aan doen? Ik had trek!)

At ze gauw op, zonder bestek,

Want ik haastte me rot -

En de schaal viel kapot...

Dat was niet netjes, vergeef me, mijn God!

Laat de buurman mij niet belagen,

Laat de vlooien mij niet meer plagen,

Maak dat niemand op straat

Aan mijn staart trekt, of schopt, of slaat,

Dat het morgen niet weer gaat regenen,

Lieve Heer, wilt u dat voor mij regelen?

Dat honden geen honger lijden,

Dat baasjes goed voor ze zorgen,

Dat er tussen het vuilnis altijd

Een lekkere kluif ligt verborgen...

Ik zal luisteren, echt,

Alles doen wat Antosja mij zegt.

Dat gegrom en geblaf

Leer ik heus wel af,

Maar als iemand in huis die ellendige toonladders oefent

Vind ik dat zo bedroevend,

Dat oneidig gejank op die fluit -

En dan hou ik het zelf zonder janken niet uit.

Dus ik huil en ik klaag,

En dan krijg ik maar slaag!

Laat mij niet in de steek, heb genade,

o barmhartige Heer

En ik heb een verzoekje, tot slot:

Vindt u 't goed dat ik straks in de hemel logeer,

In een schuurtje desnoods, of een oud krot,

Met Antosja samen?

Welterusten! Amen.