Aan een moeder

F. Rzewski

Je hebt me gezegd: 'Mijn zoon is gevallen, -

jij hebt hem niet gekend, zijn voorhoofd niet,

of zijn lippen niet

of zijn handen; geen van allen

die nu naast mij zijn, hebben hem gekend,

maar enkel wààr mijn zoon is gevallen, -

op het veld van eer.

Als ik stappen hoorde op de straat

zei ik: zo zal zijn heimkeer

zijn. Dat luisteren en verwachten hoeft nu niet meer.

Moedertje!

Je zoon viel niet voor een gerechte zaak,

maar zijn bloed werd hem afgeperst door allen,

omdat ons de menselike goedheid is ontvallen.

Maar ik, wij, wij allen zijn de moordenaars van je zoon,

en elk woord als eer, en held, is smaad en hoon.

Elk soldaat die valt in de krijg, hij werd getroffen

door een sluipmoordenaar.

Je zoon heeft me gezegd: dit is de goede weg,

en ik heb hem gewezen: ja, die weg is de ware.

Wij hebben gelogen.

'Demokratie': wij hebben betrogen.