Herinnering

F. Van der Stucken

Het heugt me of van gistren 't ware geleên

De zomer namiddag spreidde om ons henen

Het goud zijner rustige glansen

En het wieglende zeevlak ver en dicht

Gehuld in de stralen van 't tintelend licht

Weerkaatste 't azuur van de transen.

Het heugt me of van gistren 't ware geleên

Wij waren alleen: in de eenzame duinen alleen.

En de golven zongen hun ruischend lied,

En hoe het gekomen is weet ik niet:

Maar heur hoofdeken zonk op mijn boezem,

En heur handje drukte mijn hand, zoo 't scheen

Wel zocht ze den toover t'ontglippen

Maar heur blik zei ja, zei heur stemme neen,

En de lippen zochten de lippen.

O liefdezegel! O eerste zoen!

Hoe kunt ge de aarde vergeten doen.