Ei! Bezinne de mei!

F. Van der Stucken

En als op berm en branken

de nieuwe lente lacht en bloeit,

dan ruist van wondre klanken,

veld en heide,

woud en weide,

waar bottend 't nieuwe leven broeit.

Dan springen de blaren de knoppen uit,

dan fluiten de vogelen nog zoo luid:

Fallih! Fallah!

Fallah! Fallih!

Ei! Bezinne de Mei!

Du minne, zoete minne,

ook in dijn ziele lacht de Mei,

ontplooi thans hert en zinnen:

wondre klanken,

tooverzangen

verrijzen in den boezem dij.

En voels du die lavende winden niet,

en hoors du niet bruisen dat machtig lied:

Fallih! Fallah!

Fallah! Fallih!

Ei! Bezinne de Mei!

En wils du jeugdig lover:

de wouden vlechten krans bij krans,

en wils du straalgetoover:

beek en bronne

baadt de zonne

in koesterenden wonne glans!

En wils du concertos, hemelsch schoon,

dan slaat di de lerke heur hoogsten toon:

Fallih! Fallah!

Fallah! Fallih!

Ei! Bezinne de Mei!

Doch streelt der vooglen zingen,

betoovert weide- en woudenlied,

nog weet ik zoeter tonen klinken --

liefdakkoorden

hemelwoorden!

Zelfs nacht'gaal bezit die niet!

En wils du die hooren, hier in ons gemoed --

daar zingt onze liefde nog eens zoo zoet:

Fallih! Fallah!

Fallah! Fallih!

Ei! Bezinne de Mei!

Du, minne, zoete minne,

kom hier, en rust me op 't herte thans!

Du draags in hert en zinnen,

bloeiende ranken,

bloeiende klanken,

wonnigen, zonnigen lenteglans.

En wippen de vogels hun nesten uit,

toch zingt mij dijn herte nog eens zo luid:

Fallih! Fallah!

Fallah! Fallih!

Ei! Bezinne de Mei!