Afscheid van de harp

Franz Peter Schubert

Weerklink nog eenmaal, harpklank,

Die slechts gevoel uitzingt!

Laat zacht je lied verklinken,

Je zwanenzang verzinken,

Die op de stroom des levens

Met troost de nood verdringt.

In 't morgenlicht van 't leven,

Toen klonk jij licht en hel!

Wie kan de klank bewaren?

Door vorsen en ervaren

Gaat kwijnen en verdrogen

Van 't lied de zuiv're wel.

In latere jongelingsjaren

Klinkt het reeds teer en bang,

Als vinkenslag in 't voorjaar;

De uitbotpijn is voelbaar,

Doet beven hart en snaren,

Vol liefde en gezang.

In de zomerdag van 't leven

Verstomt het snarenspel!

Op 'n ziel die haakt naar strelen

Doet 't slechts, als Philomele,

Niet vaak meer maar wel roerend,

Een zwaarmoedig appèl.

O, klink in de donk're boezem

Van d'ernst'ge avondtijd!

Als ooit om 't barre leven

Het noodlot nacht gaat weven,

Klink dan en wek verlangen

Naar de onsterf'lijkheid!