De liefdesgodjes

Franz Peter Schubert

Cypris

, die mijn Phyllis

lijkt,

Was door Gratiën omgeven,

Want ik zag haar vrolijk rijk;

'k Was in roes door Cyprus' druiven.

'n Mirtenbos, haar toegewijd,

Vol geheime schaduwweelde,

Bood de godin 'n rustverblijf,

Waar de liefdesgodjes speelden.

Velen liepen, paar bij paar,

And'ren zongen, mij bekende,

Die schalks lonkten naar elkaar:

Wellust in hun ogen zengde.

Velen vlogen strijdbaar uit

Met de boog vast in hun vuisten.

Velen waren al niet thuis,

Daar zij bij Lyaeus

feestten.

Die vol bleue onschuld scheen

Gaat bij herders zich ontvouwen.

Vurig, flink en stil ineen,

Dat was 't type der jonge vrouwen.

Maar vermoeid, gekromd, verlamd

Sliep het godje der getrouwden:

En Cytherea

, zeer vergramd,

Zond ook hem naar Bacchus' wouden.

Onder bosjes in de nacht,

Onder afgelegen struiken,

Waar zo menig nimfje lacht,

Zag ik ze het liefst wegkruipen.

Velen vluchtten, licht van voet,

Weg van dwang door droeve wetten,

Vlinderden van snoet naar snoet,

Kusten blondjes en brunetten.

Kleine godjes, sluw en gis,

Jullie pijl treft alle harten,

Die van nectar dronken is,

Ook al speelt hij dwazen parten:

Blijf, ach, blijf nog lange tijd,

Om mijn jeugd mooi te versieren!

Ben ik jullie ooit eens kwijt,

Dan ga 'k bij Lyaeus vieren.