De ongelukkige
Franz Peter Schubert
De nacht breekt aan, met zachte vleugen vlijt hij
Zich op de moede stervelingen neer;
De milde slaap, die zoveel op de dood lijkt,
Hij legt hen vriend'lijk in hun nachtgraf neer.
Nu waakt op de van licht beroofde aarde
Misschien nog slechts de arglist en de smart,
En nu, nu alles om mij heen bedaarde,
Laat nu je wonden bloeden, droevig hart.
Daal af nu in de grotten der ellende,
En als wellicht daar sluim'ren, half verrot,
Oude zeren, welbekende,
Dan wek ze maar met bitterzoet genot.
Bereken de verloren heerlijkheden,
Tel alle, alle bloemen in het paradijs,
Waaruit, nog jong, in 'n gouden ver verleden
Het noodlot je verdreef met 'n hand van ijs.
Je hebt bemind, je hebt geluk gevonden,
Waar elke zaligheid op aard voor wijkt.
Je hebt een hart dat je begreep gevonden,
Je hoogste doel, je stoutste droom bereikt.
Toen smakte je een machtswoord ruw te gronde,
Omlaag vanuit je hemel, en je stil geluk,
Je al te mooie droombeeld, werd geschonden
En keerde weer naar Beterland terug.
Verbroken zijn nu alle zoete banden,
Geen hart meer slaat voor mij op de hele aard'.