Op de Bruck
Franz Peter Schubert
Draaf monter zonder rust of rem,
Mijn goede paard, door nacht en regen!
Ben je bevreesd voor struik of klem
Of struikeling op woeste wegen?
Al is het bos ook diep en dicht,
Toch zal het zich ontsluiten moeten;
En vriend'lijk zal een ver klein licht
Ons uit het donker dal begroeten.
Ik kan wel over berg en veld
Op jouw gestrekte rug rondjagen
En aan het bonte levensspel,
Aan mooie beelden mij vergapen;
Haast iedereen ontvangt mij groots
En geeft mij vrede, vreugd' en liefde
Maar toch ijl ik nog rusteloos
Terug naar wat mij griefde.
Want al drie dagen was ik ver
Van haar aan wie ik ben gebonden;
Drie dagen waren zon en ster
En al door duisternis verslonden.
Van lust en lijden, die mijn hart
Bij haar soms heelden, dan weer braken,
Voeld' ik drie dagen slechts de smart,
En ach, van vreugde was geen sprake!
[Draaf daarom dapper door de nacht!
Al biedt de weg soms amper uitzicht,
Verlangens helder oog geeft acht
En veilig leidt mij blij vooruitzicht.
Ver zien wij over land en zee
Naar warm gebied de vogels wijken;
Hoe zou de liefde dan - o, nee! -
Zich op haar pad kunnen verkijken?]