Ik wil in de lustigste zangen

G. Koop

Ik wil in de lustigste zangen,

ter eere der lieflike Mei,

alle pepels en vogelen vangen,

die fladderen door de wei.

In vroolike liederen wil ik

herdenken het jeugdig seizoen.

In kransen zoo bont als grilli

zal ik vlechten het bottende groen.

Gi, paarkens, die 's avonds gaat dwalen,

ook u en vergeet ik niet.

Twee lippekens rood als koralen

versieren steeds toovrend een lied!

Het lonken van lievende blikken,

een kus, - wondre, hemelsche roof!

zijn even zoo frisch, en verkwikken

als dauw, op 't ontkiemende loof.

En is dan mijn kransken voltrokken,

gij, meidekens, fleur van Brabant,

dan vlecht ik het in uwe lokken,

en kus u tot hulde de hand!