Rozen

H. Mulder

Ik boog me over de rozen,

Ik dronk hun zoete geur,

Mijn oog genoot hun blozen,

Hun fijne en helle kleur.

Ik keurde 't scherpe steken

Van doornen op hun hout,

Ik trachtte een af te breken,

Een harde en spits-geklauwd.

En 't klein-tandig gebladert

Spotte in zijn donkre groen:

Dwaas, die mijn rozen nadert

En vraagt hoe dorens doen!