Liedeken van vrouwenleven

H. van Heukelom-van den Brandeler

- 'Wat naai je daar van blank satijn,

O kweelend spelend Kindekijn

Wat plooi je, wat tooi je zóo mooi en gezwind?'

- 'Een bruidskleed voor mijn poppekind.'

- 'Wat naai je daar van blank satijn,

O blozend droomend Maagdelijn,

Terwijl er zóo vroolijk je harteken slaat?'

- 'Ik naai mijn eigen bruidsgewaad.'

- 'Wat naai je daar zóo teêr, zóo fijn,

Het kon wel een elfekleedje zijn,

Vol fladdrende kantjes en vlinderig lint?'

- 'Ik naai een doopkleed voor mijn kind.'

- 'Wat naai je daar van blanke zij?

Het lijkt wel engelekleedij.

O Moeder! je weent er jë oogen bij blind....'

- 'Ik naai een doodswâ voor mijn kind.'