Pathologie
H. Vliet
Mijn oogen branden,
Met felle randen.
De klokken luien, luien mij uit.
Mijn klamme handen
Betasten de wanden.
De klokken luien, luien mij uit.
Wát toch dat luien in gódsnaam beduidt....
O, om een slag,
Die op eens mij versloeg!
O, om een dag,
Dien ik niet meer verdroeg!
Warende waduwen
walmen mij om,
Dwalende schaduwen
staren daar stom.
De klokken luien, luien mij uit.
Heffende handen rekken gestrekt,
Vragende vormen worden gewekt.
O, wat dat luien, dat luien beduidt....
De klokken luien, luien mij uit.