De koelte neigt

H. Zagwijn

De koelte neigt den avond over;

en waar ik wijle, uit zwoelen dag

in 't zwenken van 't gezonken loover,

voel 'k, in den donkerenden toover

van licht en schaâuw door 't trage rag

der blaêren, 't sterven van mijn lach.

Ik wacht. Ik heb de stille pijne

dat ik den heelen dag u wacht.

En, onder 't huivrend avond-kwijnen,

voel 'k om mijn mond de strakke lijnen

waar, wijl ik nóg te hopen tracht,

het sterven van mijn hope in lacht...