Over het wegje
J. Bartelsman
Over het wegje wieglen de loovers
licht in een reidans heen en weer.
Bevend in't zonlicht dodeint daar het koren,
hoor dat geruisch ginds: Een zang op het meer.
Even, heel even woei zang door mij henen,
toen ik daar stond, in de lichtblijen dag.
Vrij was ik even van al wat mij deerde
Schoonheid, gegroet, met uw lied en uw lach!