Zijt stil nu

J. Beijerman-Walraven

Zijt stil nu mijn gedachten en mijn zinnen.

Blijde gespelen, die het leven mint,

Die steeds elkander zoekt en wedervindt

En met u w glinstrend web mij komt omspinnen.

D e avond dringt door open venstren binnen,

De avond, die mij aan uw spel ontwindt;

Ik voel haar adem, ben gelijk haar kind,

Dat kan zijn rust slechts aan haar hart herwinnen.

Hoe is die rust zoo angstig en zoo vreemd

Na 't luide leven, dat de dag mij bracht,

Hoe is het land zoo stil, waar naar den nacht

Het laatste goud der doode zonne zweemt;

Hoe hoor ik klaar de stem, die diep-in zingt

En 't moede oog tot milde tranen dringt.