De Leye

J. van Dijk

De Leye ligt zoo stille, alsof

van staal ze zou bedegen,

val louter staal en stijfheid zijn;

zoo blauw en, allerwegen

zoo glad is, en zoo effen en

zoo bloot zij nu. De winden

en roeren niet of, roeren ze,

geen speur en is te vinden,

geen asemtje op de Leye ervan,

die staal is, onberoerd,

en alletwee mijne oogen tot

aan Harelbeke voert.

De Leye en kapt mij 't kezzelspeur

niet af nu, en heur plasschen

en komt tot vóór mijn voeten niet

den trakelwegel wasschen;

ze 'n slaat geen witte kladden op

en neêre, alzoo de rossen

die, schuimende, en de stringen van

de wagens hossebossen;

maar stille ligt en lusteloos

ze omleege... stille staat

er Anneken, het maantje in dat

zijn schapen gadeslaat.

Noch nacht en is noch dag geheel

en gansch het: tusschen beiden

kan hofgebouw en boomgewas

ik zien en onderscheiden,

die omgekeerd in 't water staan;

zoo schuren doen en schelven

en schelpen uit de Zuiderzee,

vol vlas, - en 's lochts gewelven,

die zeggen: "Komt en kijkt, o mensch,

naar ons: met al uw macht,

ge'n kunt niet dat de Leye kan,

bij 't vallen van den nacht!"