Aanroepinge

J. Van Hoof

Blomkes, lieve blomkes zoet,

die uw hertjes open doet

bij den eersten morgengroet,

schittert in mijn zangen;

Beekske, klappend beekske klaar,

dat uw blanke waterbaar

over 't zand laat varen, dââr

vaart ook in mijn zangen;

Hellemende nachtegaal,

gij, gij spreekt de dichtertaal,

laat uw bosschen, komt eenmaal

helmen in mijn zangen;

Windtje, dat op 't water sliert,

of al door de bosschen tiert,

als u God den teugel viert,

wappert in mijn zangen;

Donder, die al dondren komt,

die in d'holde wolken bromt,

die en mensche en dier verstomt,

dondert in mijn zangen:

Blomme, beke, nachtegaal,

windenstemme, dondertaal,

blanke bleeke manestraal,

looft God in mijn zangen!