Gaan wandelen staat ons , jongens , aan
J. Wierts
Gaan wandelen staat ons, jongens, aan,
gaan wandelen!
Nog walmt de nachtmist op de baan:
wij wandelen!
De zonne lacht de wei vol goud,
elk halmpje blikkert nat bedauwd...
Komt wandelen,
komt wandelen!
Te wand'len leert ons al wat leeft,
te wandelen!
Het vliegje, dat langs ' t water zweeft,
leert wandelen!
De zonne wandelt van Oost naar West,
de wind doorwandelt gewest bij gewest...
Zij wandelen,
zij wandelen!
Het schichtig haasje leert het ons,
het wandelen!
Het bietje faddert met vroolik gegons:
' t moet wandelen!
En boven ons hoofd, in root bij root,
zeilt noordwaarts heen der zwanen vloot!
Zij wandelen,
zij wandelen!
Tot zelfs het kerfdier zet ons aan
tot wandelen!
Het kribbelkrabbelt door ' t zand der baan
' t wil wandelen!
Zelfs krekel met zijn slingerbeen,
hinkt, hokpatok, door ' t klaver heen.
' t Heet wandelen,
' t heet wandelen!
En 't beekje, zie toch!... baar bij baar
aan ' t wandelen!
Het water blinkt nog eens zoo klaar
bij 't wandelen!
Daar zwermt het dan van vischjes in:
daar poost geen staert, daar rust geen vin!
Zij wandelen,
zij wandelen!
Vooruit! Ons lokt het lenteweêr
tot wandelen.
De heuvels op, de delling neer!
Steeds wandelen!
Door weiden, groen en geel van kleur,
door wouden, vol van wierookgeur,
gaat wandelen,
gaat wandelen!
Nooit keeren wij voor ' s avonds laat
van 't wandelen.
Dan klinkt nog lang, van straat tot straat,
ons wandelen!
Van verre volgt ons de schijf der maan,
aanminnig lachen de sterren ons aan,
na ' t wandelen,
na ' t wandelen!