Donkere oogen

K. Textor

Oogen, in wier diepte helle nacht

Droomt en lokt, als er de rust uit lacht -

Grondeloozen, gij, die smeekt en smacht,

Al wie oogt naar u, droomt met u mede....

Voor uw tooverende wonder-macht

Wordt de ziel van mannen zonder kracht,

En wiens kracht ùw kracht ten onder bracht,

Diens geheele ziel wordt ééne bede.

Aan het vreedzaam hart rooft gij den vrede,

Maar gij schenkt hem weder, onverwacht -

En wien gij de weelde toe-bedacht

Van uw blikken, zoo fluweelig-zacht,

Dien omspannen zij van lieverlede,

En hij slaakt een lang-gezuchte klacht,

Doch een vreugde-rijken juich-kreet mede.

U te zien, is schoonheid zelve ontwaren,

En, waar zij op donzige englen-schacht

Nederstrijkt, om zeegnend rond te waren,

Daar versterft de haat, en geurt de zomer-pracht

Der liefde.... Donker oog, blijf dikwijls op mij staren!