O kinders van de locht

P. Cabus

o Kinders van de locht,

gesneeuwde blommigheden;

o sterrenpulver, fijn

gevijlsel van krystaal;

zoo teêr dat, schaars gelijfd,

gij weg zijt en verleden,

zoohaast ik, waar gij valt,

u volge en adem haal

te roekeloos! Winterdonst,

die zichtbaar zijt in 't spelen

der zonnekrachten, niets

en evenaart u hier,

't en zij... 'k moet hooger op,

zal ik een beeld u stelen,

'k moet door de wolken heen,

tot in den hemel schier!