Lied
P. Westrheene
'k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw,
In sprakeloze aanbidding neer gezonken,
Wanneer de maan verrees in 't avondblauw.
De sterren lokten mij van waar zij blonken
- Ver, eindloos ver - met onweerstaanbre macht,
Als millioenen hemelliefdevonken.
En 'k bad om vleuglen in de stille nacht:
- O dat ik eens de oneindigheid doorkliefde! -
Helaas! wanneer? ik heb zo lang gewacht.
Verga de twijfel die mijn ziele griefde,
De hellegeest die met mijn lijden spot.
O Liefde! ik kan niet leven zonder liefde!
O God! ik kan niet leven zonder god!