Gij die hebt den Schat gevonden

V. De Hovre

Gij die hebt den Schat gevonden,

die den Edelsteen bezit;

kind, dat in den Heer verslonden

voor Gods autaar knielt en bidt,

kind, het deert mij u te stooren,

ach! en luistert liever niet

om den ijdelen klank te hooren

van mijn al te onhemelsch lied!

Kind, God zelf heeft u gesproken,

God is in uw hert: voortaan

blijft, o blijft in God gedoken,

en, 'k zal zwijgend henengaan!