Vrede

W. Iongh

Daar blijft een zegen dien de ziel

Nog maar aan levens einder ziet:

Daar zweeft een dauw die nimmer viel,

In 't avondlijk verschiet:

Vóordat de hemel guldt en roodt

Rijst uit het klare kimmediep

Het zeil van die nabije boot

Die nimmer binnenliep:

O vreê waarvan de heete dorst

Al koeler laaft dan aardschen bron,

Ik weet, gij daalt niet in mijn borst

Dan met de laatste zon.