Droome-vrouw, kom!

B. Tideman-Wijers

Droomevrouw, kom! en draag mijn kleine

in je armen, de rozereine;

draag mijn kleine, die niet slapen wil

naar je droomhof manestil.

Kleine sterrekinderen gaan

met hun lichtjes al vooraan

op'nen de blauwe droomepoort

zorgen dat niets mijn kleine stoort.

Maan schuift op haar venster zacht;

Roomblanke roosjes houden er wacht;

Maanlichte klokjes op zilv'rige stelen

zullen er fijntjes voor hem spelen.

Windvlugge Elfjes dideldomdein,

wiegen zijn wiegje op droom'rig refrein.

Zullen er gouden laddertjes maken,

die tot aan den hemel raken;

daarlangs komen de engelijn

die zo graag met mijn kindje zijn;

komen als vlucht van sneeuwen duiven

op roze pootjes met vleugelwuiven.

Vóór Maan's gouden vensterraam

scholen z'al hun kopjes saam

hebben hun vleugeltjes klaar geleid,

wachten nog maar op den juisten tijd.

Suja, suja diedeldomdeine

droomevrouw kom en vlij mijn kleine,

Vlij mijn kleine, die slapen wil…

in je droomhof manestil.