Kindersproke
B. Tideman-Wijers
Nacht is niet boos.... Als hij komt de nacht
Maakt hij den hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zucht
Op gouden voetjes geloopen.
Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneë'
Zouden ze heel graag komen
Maar ze zijn bang voor de groote zee
En voor de hooge boomen.
't Is boven óók donker.... maar zíj hebben licht.
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: 'je moet gauw gaan slapen.'
Zíj worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.
Ze wandlen boven den ganschen nacht
Op hun kleine bloote voetjes;
Dat doet geen pijn.... de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes;
Ze mogen nóóit leven maken; dát zou
De moede menschen hindren....
'k Geloof niet dat ik ze hooren zou;
Maar er zijn ook zieke kindren.
'k Zou heel graag eens naar boven gaan,
Als 'k wist hoe daar te komen....
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de boomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?...
En loopen je altijd alleen? - Je zoudt best
Uit je open huis kunnen vallen.
Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen.... en kersen.... en bijen,
- Die brommen zoo! - en een hooge duin,
Waar je op en af kunt rijen?
En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht
Als ze je 's morgens komt wasschen,
En de zeep zoo schuimt, en een watervracht
Over je rug komt plassen?
In mijn bosch woont een nachtegaal.
Hebben je kleine muschjes,
Die je voeren kunt? - Zijn je allemaal
Broertjes.... broertjes en zusjes?
Ik krijg er haast ook een: 't bedje staat klaar;
Hebben jullie allemaal bedjes?
Maar waar staan ze dan, ik zie er geen.... waar?
'k Hou 't mijne nu altijd netjes.
Twee, tien, twintig.... altijd meer
Komen je aangeloopen....
In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer....
Ik hou ze niet meer open!
Tien, zes, honderd... ik ben te moe
Om je allemaal te tellen....
Als ik wakker word is de hemel toe....
En 'k heb nog zóó veel te vertellen....